Uitvoeringsregeling duurzaamheidsstaffel Agenda Toerisme 2019 - 2026

(schuin gedrukte tekst is toevoeging behorend bij beleidskeuze 6, thema 4 ‘Voortdurend Vernieuwen’ in verband met amendement gemeenteraad 25 oktober 2018)

Tekst amendement 25 oktober 2018:

Een beperkte uitbreiding in oppervlakte en eenheden is mogelijk indien:

  • er sprake is van een (integrale) kwaliteitsimpuls van het bestaande en het toekomstige recreatiebedrijf.
  • er sprake is van maximaal 15 % uitbreiding van het bestaande aantal eenheden (eenmalig). Maatwerk is mogelijk in overleg en op advies van het Adviesteam Toerisme op basis van het uitgangspunt om te komen tot Zeeuwse kustkwaliteit (bijvoorbeeld hoger percentage invulling verblijfsrecreatie gekoppeld aan extra landschapscompensatie).
  • bovenop de 15 % uitbreiding zoals hiervoor genoemd kan, in overleg met en op advies van het Adviesteam Toerisme, op basis van het uitgangspunt om te komen tot een energie-neutraal eiland maximaal 15 % uitbreiding van het bestaande aantal eenheden (eenmalig) worden toegekend. (hoger percentage invulling verblijfsrecreatie gekoppeld aan extra energie-neutraliteit en circulair bouwen).
  • totaal kan op basis van bovenstaande maximaal 30 % uitbreiding van het bestaande aantal eenheden (eenmalig) worden toegekend.

Toevoeging uitvoeringsregeling:

  • deze uitvoeringsregeling van maximaal 30 % uitbreiding is niet van toepassing op recreatiebedrijven in de kustzone zoals vastgelegd in de Zeeuwse Kustvisie en het provinciale Omgevingsplan, met uitzondering van de in de Zeeuwse Kustvisie opgenomen aandachtsgebieden (Rampweg en Scharendijke).
  • het hoger percentage invulling verblijfsrecreatie wordt als volgt getoetst:
    Energieneutraal: indien nieuwbouw voldoet aan:
    een EPCeis van maximaal 0,6; èn
    compensatie plaatsvindt van het gebruiksgebonden deel van de energieconsumptie binnen het bedrijf (bijvoorbeeld via centrale voorzieningen, bestaande bebouwing isoleren of gebruiken voor opwekken van extra duurzame energie ) zodat het totale energieverbruik (gebouw en gebruik) zoveel mogelijk naar nul gaat. Het betreft een individuele beoordeling die vastgelegd wordt in het ruimtelijke besluit, zijnde de wijziging bestemmingsplan middels omgevingsvergunning (strijdig gebruik) of een bestemmingsplan.
    dan bedraagt het extra percentage uitbreiding invulling verblijfsrecreatie maximaal 10 % van het bestaande aantal eenheden (eenmalig). Indien bestaande bebouwing (nog) niet (volledig) kan worden benut voor de opwekking van duurzame energie, dan heeft initiatiefnemer een inspanningsverplichting om anderszins en aantoonbaar duurzame energie op te wekken. In het kader van maatwerk wordt beoordeeld welke compensatie mogelijk is, welke vervolgens wordt geborgd in de ruimtelijke procedure.

Circulariteit: indien, naast bovenstaande eisen voor energieneutraal, nieuwbouw ook voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • minimaal 50 % van de gebruikte bouwproducten valt in milieuklasse 1 (1a,1b of 1c) volgens de LCA (LevensCyclusAnalyse) van het Nibe en
  • de overige gebruikte bouwproducten vallen minimaal in milieuklasse 4 en
  • er wordt een materialenpaspoort opgesteld.

dan bedraagt het extra percentage uitbreiding invulling verblijfsrecreatie maximaal 15 % van het bestaande aantal eenheden (eenmalig).

Toelichting uitvoeringsregeling energieneutraal / circulair bouwen

Waarom deze regeling?

Met de Agenda Toerisme 2018-2026 streven we, in navolging van de Zeeuwse Kustvisie, naar ‘Zeeuwse Kustkwaliteit’. Het onderdeel van de regelgeving behorend bij beleidskeuze 6, thema 4 ‘Voortdurend Vernieuwen’ van de Agenda Toerisme, beoogt om Zeeuwse Kustkwaliteit als beschreven in de Zeeuwse Kustvisie centraal te stellen voor herstructurering en kwaliteitsverbetering van bestaande verblijfsrecreatieve bedrijven én dit te combineren met duurzaam ondernemerschap. Bestaande reguliere verblijfsrecreatieve bedrijven bieden we ruimte voor maatwerk met een significante verduurzaming van het recreatief bedrijf. Gelet op de regels van het provinciale Omgevingsplan geldt de mogelijkheid voor een extra uitbreiding van 15% voor verduurzaming bovenop de 15% uitbreiding van het Ontwikkelkader Verblijfsrecreatief Gebied, niet voor recreatiebedrijven in de kustzone. Een uitzondering geldt voor de in de kustzone benoemde aandachtsgebieden.

Energieneutraal

Er zijn velerlei ontwikkelingen op het gebied van energieneutraal en circulariteit c.q. circulair bouwen. Vanaf 1 januari 2020 moet nieuwbouw voldoen aan de eisen voor BENG (Bijna Energie Neutraal Gebouw). BENG vloeit voort uit o.a. het Energieakkoord. BENG gaat over het gebouwgebonden energieverbruik.

Gelet op onze ambitie om in 2040 energieneutraal te zijn, in combinatie met de omvang van de recreatiesector, is het voorstel om met een tussenoplossing te komen voor deze staffelregeling duurzaamheid, gekoppeld aan het ‘Ontwikkelkader Verblijfsrecreatief Gebied’ voor een hoger percentage uitbreiding, indien meer wordt geïnvesteerd in energieneutraal en circulair bouwen.

Najaar 2019 is de BENG-rekensystematiek beschikbaar. Vooruitlopend hierop en gelet op de wens van de raad om tot een nadere uitvoeringsregeling te komen voor het stimuleren van energieneutraal en circulair bouwen in de recreatiesector, stellen we voor om in het kader van deze uitvoeringsregeling een lagere EPC eis te hanteren dan nu wettelijk is voorgeschreven voor recreatie-eenheden. Deze eis, opgenomen in het Bouwbesluit, is nu 1,4. Wij stellen voor als maximale eis voor de toepassing van deze regeling uit te gaan van 0,6. Deze eis geldt voor recreatiewoningen. Stacaravans vallen er niet onder. Deze eis is in de praktijk te controleren en wordt in sommige (nieuwe) recreatie-ontwikkelingen ook al toegepast c.q. gehanteerd. Hierbij is sprake van een realistische investering voor de sector van gemiddeld circa € 7.000 per accommodatie. Het is niet aan te raden nu al lagere normen te hanteren zoals een EPC van 0, zonder dat zicht is op de effecten van het BENG. Er is sprake van een tussenvariant die haalbaar is, maar wel met extra inspanning. Eventuele latere lagere wettelijke norm(en) nemen we over.

Deze tussenvariant kan daarom gehanteerd worden totdat het BENG er is, omdat dan, zo is de verwachting, namelijk de EPC-normering verdwijnt. Wij benadrukken daarom dat sprake is van een tussenoplossing totdat wettelijke regelgeving maakt dat onderhavige regeling (van rechtswege) komt te vervallen.

Het is aan te raden deze lagere EPC norm te hanteren naast compensatie van het gebruiksgebonden deel op een bedrijf. Onder ‘Gebruiksgebonden deel’ verstaan we: energie consumptie als gevolg van het gebruik van functies (koeling, verwarming et cetera).

Op die wijze kan energiegebruik van zowel gebouwen als van het gebruik op een bedrijf (zoveel mogelijk) naar nul. Dit kan door de bestaande bebouwing op een bedrijf zo veel mogelijk te benutten voor het opwekken van duurzame energie of bestaande bebouwing (beter) te isoleren. In enkele gevallen kan het voorkomen dat bestaande bebouwing niet voldoende geschikt is voor het opwekken van duurzame energie. In dat geval is het aan te raden om het bedrijf toch een inspanningsverplichting op te leggen om anderszins tot (alternatieve) vormen van duurzame energieopwekking te komen. Aan de hand van een dergelijke inspanningsverplichting dient een bedrijf toch serieus werk te maken van energieneutraliteit gekoppeld aan bestaande bebouwing. Een ondernemer dient dit van te voren aan te geven en het vormt een voorwaardelijke verplichting, dus kan ook indien nodig worden gehandhaafd. In de praktijk is dit goed mogelijk onder de Omgevingsvisie Landelijk Gebied geborgd door de daaraan gekoppelde ruimtelijke procedure.

Circulariteit

Circulair bouwen: de circulaire economie draait om het slim gebruiken van grondstoffen, producten en goederen, zodat deze oneindig hergebruikt kunnen worden: een gesloten kringloop. Voor gebouwen betekent 'circulair' bijvoorbeeld dat materialen hergebruikt worden, maar ook dat het gebouw flexibel ingezet kan worden.

De voorwaarden voor circulariteit zijn gekoppeld aan de LevensCyclus Analyse (LCA) van het Nibe. Bij de LCA wordt gekeken naar de totale milieu-impact van een product, van winning van grondstof tot het afvalstadium. Daarbij wordt ook bijvoorbeeld transport en onderhoud meegenomen. Bij het bepalen van het effect van een product wordt rekening gehouden met de volgende hoofdcategorieën: emissies, grondstoffen, landgebruik en hinder. De effecten worden gewogen en omgerekend naar schaduwkosten. De schaduwkosten zijn de milieukosten, de kosten die nodig zijn om de milieuschade te herstellen. Vervolgens zijn, op basis van schaduwkosten, materialen onderverdeeld in milieuklassen.

milieuklassen

Het Nibe beheert een database met de milieuclassificatie van bouwproducten. (Deze milieuclassificatie is overigens ook de basis voor het bepalen van de MPG (Milieu Prestatie Gebouwen) dat vanaf 1 januari 2018 in het Bouwbesluit is opgenomen. Deze eis geldt echter alleen voor woningen en kantoren. Indien het Bouwbesluit wordt aangepast en dit ook van toepassing wordt verklaard op andere gebouwen met andere functies, dan dient onderhavige regeling hierop te worden aangepast. De bijbehorende rekenmethodiek is ook niet geschikt voor bouwwerken met andere functies). Dit is wettelijk nu eenmaal zo bepaald.

Zowel LCA als overigens ook het MPG gaan uit van een afvalstadium. Dit komt niet overeen met het uitgangspunt van circulariteit. Maar op dit moment is dit wel het hoogst haalbare omdat voor circulariteit ook alle andere onderdelen van de keten (bijv. hergebruik) georganiseerd moeten zijn en dat is nog niet het geval. Door aan te sluiten bij de LCA wordt wel gekeken naar materiaalgebruik met een zo klein mogelijke milieu-impact. We herzien de regeling ook op dit onderdeel, zodra de voorwaarden om daaraan te kunnen voldoen ook wijzigen en dus uitgebreider wordt dan thans de LCA en MPG.

Daarnaast worden bouwers en opdrachtgevers door het opstellen van een materialenpaspoort meer geattendeerd op het materiaalgebruik en is eventueel hergebruik naar aan het einde van de levensduur makkelijker te beoordelen: er is immers bekend welke materialen in welke hoeveelheid aanwezig zijn. De aannemer die de ondernemer inschakelt stelt een materialenpaspoort op via het proces van de bouwaanvraag. De opsomming van materialen wordt meegenomen in de bouwtoetsing.

Uitgangspunt is dat als een bedrijf aan beide criteria, dus van zowel energieneutraal (maximaal 10 % extra eenheden) als circulariteit (maximaal 5 % extra eenheden) voldoet, dan de maximale 30 % uitbreiding tot de mogelijkheden behoren. Dit is belangrijk omdat circulariteit in het algemeen moeilijker is te realiseren dan energieneutraal. Uiteraard dient, voordat gebruik kan worden gemaakt van de extra maximum 15 % uitbreiding voor energie neutraal en circulair bouwen, eerst te zijn voldaan aan de eisen van het Ontwikkelkader Verblijfsrecreatief Gebied (landschap produceren et cetera) op basis waarvan de basis maximum 15 % uitbreiding mag worden gerealiseerd.

Wij stellen voor om het jaar 2019 te benutten om deze uitvoeringsregeling verder met de sector te bespreken en het overleg hiertoe te organiseren. Samen met de sector kunnen we dan nader bezien of de insteek van deze uitvoeringsregeling realistisch en in de praktijk haalbaar is. Onze verwachting is vooralsnog dat dit het geval zal zijn. Medio 2019 kan dan tot een nadere invulling worden gekomen, ook in relatie tot BENG.